Hij woonde in een oud huis aan de rand van de stad.
Een klein appartement op de begane grond, afgebladderde muren, houten ramen, de geur van oude thee en boeken.
Elke ochtend zagen de buren hem alleen — in een grijze jas en gebreide muts.
Precies om zeven uur ging hij naar buiten, ging op het bankje zitten, legde er een stuk brood naast en keek naar de lucht.
— Vreemd, — zeiden de mensen. — Waarom doet hij dat?
Sommigen lachten, anderen haalden hun schouders op.
Maar de man ging door. Dag na dag. In de winter, in de zomer, in de regen.
Hij legde het brood neer, zei niets, en vertrok.
Op een ochtend kwam een buurvrouw van het tweede portiek dichterbij.
— Meneer, waarom brengt u elke dag brood? — vroeg ze.
Hij glimlachte.
— Voor de vogels, — antwoordde hij eenvoudig.
Maar de volgende dag zag ze vanuit haar raam dat het brood niet meer op het bankje lag, maar op een klein zitbankje bij de speeltuin — daar waar vroeger zijn kleindochter vaak speelde.
Later ontdekten de buren dat het meisje een jaar geleden bij een ongeluk was omgekomen.
Elke dag gingen ze samen duiven voeren. Sindsdien kwam hij alleen.
Nu ligt er ’s ochtends geen brood meer op het bankje — de vogels eten het op.
Maar er ligt altijd een vers stuk, dat iemand anders neerlegt.
