Het regende al sinds de ochtend.
Fijn en hardnekkig tikte het op het dak van de bushalte en maakte van alles om haar heen een grijze weerspiegeling.
Ze zat op het bankje, haar buik en de oude tas omklemmend, die allang niet meer dichtging.
Haar vingers trilden — niet van kou, maar van moeheid.
De laatste drie dagen had ze amper geslapen.
De kamer waarin ze had gewoond was nu afgesloten met een vreemde sleutel.
Mensen liepen voorbij.
Sommigen keken, anderen wendden zich af.
Ze verwachtte geen hulp — ze zat er gewoon, terwijl de druppels over haar gezicht gleden en de laatste gedachten leken weg te wassen.
Toen kwam hij.
Gewoon een man in een warme jas, met een paraplu en een licht verwarde blik.
Hij bleef staan, alsof per ongeluk, maar om de een of andere reden ging hij niet weg.
— Gaat het wel? — vroeg hij.
Ze glimlachte zo goed als ze kon en knikte.
Maar haar ogen vertelden alles.
Hij zweeg even. Toen reikte hij haar een thermos aan.
— Hete thee. Zonder suiker, maar warm.
Ze pakte hem aan — en voelde voor het eerst sinds lange tijd dat haar handen niet leeg waren.
Ze stonden lang onder de overkapping, zonder iets te zeggen.
De regen nam af, de lucht rook naar natte aarde en warmte.
Toen zei hij:
— Ik heb een kamer. Niets bijzonders, maar droog en stil.
Ze keek hem lang aan, alsof ze bang was te geloven.
Een uur later liepen ze al door de straat — langzaam, samen onder één paraplu.
Zij hield haar buik vast, hij de paraplu, en alles om hen heen leek kwetsbaar, maar echt.
In het appartement rook het naar brood en schone lakens.
Hij zette water op, spreidde een deken op de bank en zei:
— Hier kunt u gewoon uitrusten. Zonder uitleg.
Ze ging liggen, sloot haar ogen en huilde voor het eerst sinds lange tijd — zacht, zonder angst.
Hij bleef bij het raam staan, keek naar de regen
en glimlachte om de een of andere reden.
Soms komt goedheid niet luid.
Ze gaat gewoon naast je zitten en houdt de paraplu vast tot de regen ophoudt.
