Een rustige ochtend in het park veranderde in een nachtmerrie: de man gooide een stuk brood, en uit het water kroop ‘het’

De ochtend was stil, vredig.
Het park ontwaakte langzaam — een paar wandelaars, geritsel van bladeren, de geur van vochtige aarde.
Een man in een grijze jas stond bij de reling met een zak brood in zijn hand.
Hij kwam hier vaak ’s ochtends — om de eenden te voeren, om te luisteren hoe hun gekwaak over het water galmde.

De vijver lag in de schaduw van oude wilgen, donker en diep.
Hij gooide het eerste stukje brood en keek hoe de eenden toefloten.
Het water golfde zacht, vleugels klapperden. Alles leek normaal.

Tot hij iets vreemds zag.
De kruimels in het midden bleven onaangeroerd.
De eenden weken plotseling uit, alsof ze bevel hadden gekregen.
Eén van hen krijste en verdween onder water — alsof iets haar naar beneden trok.
De rest vloog in paniek weg.

De man stapte dichterbij, turend naar het donkere oppervlak.
Rimpels bewogen langzaam uit elkaar, alsof iets groots diep onder de oppervlakte gleed.
— Hé… is daar iemand? — fluisterde hij.

Geen antwoord.
Toen — een lichte plons.
En opeens begon het midden van de vijver te borrelen.
Iets kwam omhoog.

Eerst een dikke, zwarte kromming — glanzend, glad, als met olie bedekt.
Toen nog één, groter.
De man deinsde achteruit.
Het leek op een slang… maar veel te groot.
Zo dik als een autoband, zo lang dat het verdween in de modderige diepte.

Het wezen bewoog traag, alsof het net ontwaakte.
Zwarte slijm droop eraf en elke druppel die het water raakte, liet kringen steeds wijder uitwaaieren.
De lucht vulde zich met een weeë, rottende geur.

De man stapte achteruit, maar struikelde.
Het water bewoog opnieuw — een enorme schaduw schoof richting oever.
Hij liet de broodzak vallen.
Een stuk viel in het water — en op dat moment kwam een donkere, glanzende kop omhoog.

Hij zag slechts de glans van zwarte ogen en een langzaam openende bek,
voor het water explodeerde in een golf van modder en schuim.

Toen werd het stil.
Hij stond roerloos, starend naar het zwarte oppervlak.
Zelfs de vogels zwegen.

Zijn telefoon, die naast hem lag, bleef opnemen.
Op het laatste beeld waren rimpelingen te zien —
en daaronder, heel even, de contour van iets enorms.

Iets wat zeker geen slang was.