De begrafenis verliep stil. Een lichte regen tikte op de zwarte paraplu’s, terwijl de rouwmuziek dof klonk, alsof van ver. Emily stond bij de kist, handen ineengevouwen — ze huilde niet, ze staarde slechts naar één punt. Haar man was plotseling gestorven: een ongeluk, in een oogwenk, zonder kans op redding.
Ze kon het niet geloven. Alles leek op een droom waarin gezichten en geluiden vervagen. Rondom stonden vrienden, collega’s, buren. De stemmen klonken vaag, totdat Emily’s blik iemand aan het einde van de rij opving. Een man. Lang, met precies hetzelfde gezicht. Dezelfde ogen, hetzelfde litteken bij de lip, dezelfde beweging van de hand.
Haar hart sloeg over.
— “Nee…” fluisterde ze.
De man merkte haar blik op. Hun ogen ontmoetten elkaar even — toen draaide hij zich snel om en liet zijn paraplu zakken.
Emily deed een stap naar voren, haar benen trilden.
— “Wacht!” riep ze, maar het geluid van regen en stemmen overstemde haar.
Toen de ceremonie voorbij was, rende ze hem achterna, maar hij was verdwenen tussen de auto’s.
Later thuis haalde ze een oud fotoalbum tevoorschijn. In een envelop, verstopt achter de trouwfoto’s, vond ze een oude afbeelding: haar man stond naast precies diezelfde man. Onder de foto stond slechts één woord:
“Wij.”
Emily zakte op de vloer, terwijl de grond onder haar leek te verdwijnen. Ze had geleefd met iemand die ze kende — en tegelijk helemaal niet kende.
