Ik herinner me die ochtend tot in de kleinste details.
De stad ademde juni — het rook naar lindebloesem, benzine en verse broodjes van de bakker op de hoek.
De lucht was dik en goudkleurig, alsof iemand honing over de straten had gegoten.
De bruiloft zou om twaalf uur beginnen.
Ze stond bij het raam in een witte jurk die te stil leek voor haar.
Ik zag hoe ze met haar vingers over de rand van de sluier streek, bang om hem met één beweging te scheuren.
De bruidegom kwam als eerste.
Hij deed zijn jasje uit, zuchtte en haalde uit een draagtas een kleine witte haas.
— “Hij wordt ons geluksbrenger,” — zei hij.
Ze lachte — zacht, een beetje verward — en nam het dier in haar armen.
De haas trilde als een sneeuwvlok in haar hand.
Ze drukte hem tegen zich aan, en op dat moment leek alles stil te staan.
De fotograaf klikte, gasten applaudisseerden, iemand fluisterde: “Wat ontroerend.”
Maar toen ging het mis.
De haas rukte zich los, sprong op de grond en schoot naar de deur.
Iemand gilde, iemand lachte — maar zij rende hem achterna.
Ik zag de zoom van haar jurk flitsen in het zonlicht,
hoe ze op blote voeten de tuin in rende,
hoe haar armbanden rinkelden terwijl ze zijn naam riep.
De haas verdween achter het hek,
en zij — ook.
De minuten gleden voorbij. Eerst wachtten ze, toen gingen ze zoeken.
Hij rende door de tuin, belde haar, riep — zijn stem brak.
En toen vond hij de jurk. In het gras.
Wit, vochtig van de dauw, met een losgeraakte knoop.
Ze was weg. Gewoon weg.
Later zei ze dat de haas haar had laten zien waar ze moest kijken —
in de richting van een leven dat niet door iemand anders was geschreven.
De bruiloft ging niet door.
Maar die dag begreep ik iets: soms stort alles niet in door toeval,
maar door een kans — vermomd als een witte haas.
En sindsdien, telkens als ik langs die bakker loop,
ruik ik nog steeds de lindebloesem
en hoor ik ergens in de verte een zacht hoppende talisman.
