De hitte was zo zwaar dat de lucht boven de weg trilde.
Het asfalt smolt, en de bushalte in het midden van de snelweg leek op een luchtspiegeling.
Lisa kwam terug van haar werk — moe, geïrriteerd, verlangend naar een koude douche.
Bij de halte zat een jonge man, een jaar of vijfentwintig.
De zon brandde in zijn gezicht, zijn overhemd was doordrenkt van zweet.
Toen ze dichterbij kwam, keek hij op en zei zacht:
— Sorry… heeft u misschien wat water?
In Lisa’s tas zat bijna een volle fles.
Maar ze antwoordde automatisch:
— Nee, ik heb haast.
Hij knikte, zonder boos te worden.
Hij liet zijn hoofd zakken en sloot zijn ogen, alsof al zijn kracht op was.
Lisa liep verder, haar blik gericht op de weg.
De zon prikte in haar ogen, het zweet liep over haar nek.
Na een minuut keek ze om — de jongen zat er nog steeds, onbewegelijk.
“Waarschijnlijk wacht hij op de bus,” dacht ze, en liep door.
Een uur later lag ze thuis op de bank en zette het nieuws aan.
De presentator sprak met vlakke stem:
“Vanmiddag is langs de snelweg nabij de stad een man gevonden die overleden is aan uitdroging. Volgens voorlopige gegevens was hij te voet onderweg naar huis nadat zijn auto stukging.”
Op het scherm verscheen een foto van de plek — dezelfde bushalte, dezelfde rugzak, dezelfde jongen.
Het was alsof de lucht uit Lisa’s longen werd geslagen.
De telefoon gleed uit haar hand.
Ze keek naar de waterfles op tafel — vol, koud, onaangeroerd.
Die nacht zat ze lang op het balkon, luisterend naar het gezoem van de snelweg.
En telkens hoorde ze weer die zachte stem, bijna fluisterend:
— Sorry… heeft u misschien wat water?
