Jarenlang werkte Ivan in de nachtploeg op het centraal station. Hij dacht dat niets hem nog kon verrassen. Vergeten paraplu’s, verloren speelgoed, portemonnees achtergelaten op bankjes – hij had het allemaal al gezien.
Maar die avond voelde iets anders aan.
Bij perron 7 stond een koffer. Oud, versleten, met tape over het handvat. Drie uur lang kwamen en gingen passagiers, maar niemand kwam erbij.
Ivan riep:
“Van wie is deze tas?”
Stilte.
Hij nam contact op met zijn leidinggevende via de radio. “We hebben een stuk bagage dat niet is opgehaald.”
“Volg het protocol”, antwoordde de stem.
Ivan bukte zich en raakte de koffer voorzichtig aan. Hij was zwaarder dan hij eruitzag. En… warm? Zijn maag trok samen.
“Waarschijnlijk eten,” mompelde hij, hoewel zijn handen trilden.
Hij maakte de koffer open. Hij kraakte bij het openen.
Er zat geen eten in. Geen kleding. Geen geld.
Bovenop lag een kinderspeeltje: een teddybeer. De vacht was verbrand en een van de knoopogen ontbrak. En daaronder…
Ivans hart stond stil.
Tientallen paspoorten, netjes opgestapeld. Allemaal met verschillende namen, verschillende gezichten. Maar ze hadden allemaal dezelfde geboortedatum.
De radio kraakte. “Verslag, Ivan, wat zit erin?”
Maar Ivan kon niet praten. Zijn ogen waren gericht op het laatste paspoort in de stapel.
Het droeg zijn eigen naam. Zijn eigen foto.
En de datum van afgifte was morgen.
